Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR7662

Datum uitspraak2004-12-10
Datum gepubliceerd2004-12-16
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/3360 WTS
Statusgepubliceerd


Indicatie

Toekenning studiekosten met terugwerkende kracht. Bijzondere omstandigheden: op basis van de verstrekte informatie kon gedaagde niet beter weten dat hem geen tegemoetkoming in de studiekosten toekwam als hij niet in het bezit was van een verblijfsvergunning.


Uitspraak

03/3360 WTS U I T S P R A A K in het geding tussen: de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, appellante, en [gedaagde] wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellante is op bij beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een onder dagtekening 19 juni 2003 door de rechtbank Groningen tussen partijen gegeven uitspraak (reg. nr.: 02/1101 WTSBTS), waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde heeft drs. K.E. Westra bij schrijven van 25 juli 2003 (met bijlagen) van verweer gediend. Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep bij brief van 12 april 2004 een uitspraak van 30 maart 2004 (reg. nr.: WSFBSF 03/228) van de rechtbank Amsterdam in een soortgelijke zaak ten name van een andere studerende ingezonden, waarop gedaagde bij brief van 20 augustus 2004 heeft geageerd. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 september 2004, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep, en waar voor gedaagde zijn verschenen drs. Westra, voornoemd, en P.Th. Schreurs, schooldecaan te Appingedam. II. MOTIVERING Gedaagde is samen met zijn echtgenote en zoon Poyan, geboren [in] 1984, in 1997 vanuit Iran naar Nederland gekomen. Bij besluit van 2 mei 2002 is aan gedaagde en zijn gezin met terugwerkende kracht vanaf 31 december 2000 een verblijfsvergunning verleend, zulks in verband met het tijds-verloop in de asielprocedure. Bij brief van 28 juni 2002 heeft gedaagde appellante verzocht onder toepassing van de hardheidsclausule een tegemoetkoming te verstrekken in de schoolkosten van Poyan voor het schooljaar 2000-2001. Bij besluit van 31 juli 2002 heeft appellante deze aanvraag afgewezen, omdat deze niet voor 1 augustus 2001 was ingediend. Gedaagde heeft hiertegen bezwaar gemaakt, aanvoerende dat hij door het ontbreken van een verblijfsvergunning geen aanvraag voor die datum in kon dienen. Bij het thans bestreden besluit van 22 november 2002 heeft appellante dit bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft appellante overwogen dat geen sprake kan zijn van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding bij het indienen van de aanvraag, omdat gedaagde feitelijk wel in staat is geweest de aanvraag tijdig in te dienen. Appellante heeft in de omstandigheid dat gedaagde niet in het bezit was van de voor een succesvolle aanvraag noodzakelijke verblijfsvergunning geen reden gezien om de termijnover-schrijding verschoonbaar te achten. Voorts heeft appellante gesteld dat zij anders had beslist als gedaagde voor 1 augustus 2001 een aanvraag had ingediend, dan wel voor die datum schriftelijk contact had opgenomen. In beroep heeft gedaagde aangevoerd dat hij op basis van de door appellante verstrekte informatie op het moment dat hij tijdig een aanvraag had kunnen indienen eenvoudigweg niet voldeed aan de gestelde voorwaarden en daarom van het doen van een aanvraag heeft afgezien. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat de weigering van appellante om toepassing te geven aan de hardheidsclausule de in kwesties als deze aan te leggen terughoudende rechterlijke toetsing niet kan doorstaan. Daarvoor is door de rechtbank bepalend geacht dat op basis van de door appellante verstrekte informatie het aan geen twijfel onderhevig is dat degene die niet over een geldige verblijfstitel beschikt, niet voor een tegemoetkoming in de schoolkosten in aanmerking komt en dat uit geen enkele bron kenbaar is of op andere wijze kenbaar is gemaakt dat appellante de gedragslijn volgt dat wanneer men niet beschikt over een geldige verblijfstitel men desalniettemin een aanvraag moet indienen zodat wanneer op enig moment wel beschikt wordt over een verblijfstitel betrokkene een hernieuwde aanvraag kan doen op basis van gewijzigde feiten en omstandigheden. Appellante heeft in hoger beroep dit oordeel bestreden. Onder verwijzing naar gevallen waarin met terugwerkende kracht een aanvullende beurs is verzocht in verband met wijziging van inkomensgegevens of een verzoek tot verlegging van het peiljaar heeft appellante gesteld dat volgens vaste jurisprudentie het dwingendrechtelijk karakter van de wettelijke bepalingen terzake in de weg staat aan toekenning met terugwerkende kracht onder toepassing van de hardheidsclausule. Voorts heeft appellante aangevoerd dat gedaagde in het schooljaar 2000/2001 in afwachting was van een beslissing op zijn aanvraag van een verblijfsvergunning en derhalve wist dat de kans bestond dat hij een verblijfstitel zou verwerven. Nu gedaagde er voorts van op de hoogte was dat hij voor het schooljaar 2000/2001 uiterlijk 31 juli 2001 een aanvraag had moeten indienen, had van hem gevergd kunnen worden ter sauvering van deze termijn uiterlijk op die datum een aanvraag in te dienen. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat van gedaagde mag worden verwacht dat hij met een regiokantoor contact opneemt als zijn situatie afwijkt van de situaties die beschreven zijn in het schriftelijk voorlichtingsmateriaal. Gedaagde heeft zijn standpunt gehandhaafd, daarbij verwijzend naar de via internet door appellante verstrekte uitvoerige informatie, waaruit evenmin blijkt dat in een geval als dat van gedaagde met appellante contact moet worden opgenomen. Gedaagde heeft de stelling van appellante dat in een dergelijk geval de betrokkene wordt gewezen op de mogelijkheid van het doen van een voorlopige aanvraag als zijnde onbewezen aangemerkt. Ter zitting heeft de schooldecaan Schreurs van Poyan nogmaals beklem-toond dat ook in voorlichtingsbijeenkomsten van de Informatie Beheer Groep voor schooldecanen van deze mogelijkheid nimmer gewag is gemaakt. De Raad overweegt als volgt. Aan de orde is de vraag of appellante aanleiding had behoren te vinden om met toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van het – ten tijde van het in dit geding van belang zijnde schooljaar in artikel 17 van de Wet tegemoetkoming studiekosten (WTS) neergelegde – vereiste dat de aanvraag jaarlijks voor het einde van het studiejaar wordt gedaan. De Raad stelt vast dat appellante op grond van het bepaalde in artikel 17 WTS de op 28 juni 2002 gedane aanvraag van gedaagde tot tegemoetkoming in de studiekosten voor het schooljaar 2000-2001 niet achteraf kon honoreren. Nu appellante evenwel, naar de Raad gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting moet aannemen, als bestendige gedragslijn hanteerde dat toekenning met terugwerkende kracht wel mogelijk was als maar tijdig een aanvraag was gedaan, ook al voldeed men ten tijde van die aanvraag niet aan alle voorwaarden, acht de Raad gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval daarin voldoende reden gelegen om het bestreden besluit te vernietigen. Tot die bijzondere omstandigheden rekent de Raad dat gedaagde op basis van de vanwege appellante verstrekte schriftelijke, mondelinge en via internet verspreide informatie niet beter wist en niet beter kon weten dan dat hem geen tegemoetkoming in de studiekosten toekwam als hij niet in het bezit was van een verblijfsvergunning. Aan de Raad is geenszins kunnen blijken en hij acht dit ook anderszins niet aannemelijk dat appellante vorenomschreven gedragslijn tijdig bekend heeft gemaakt en wel zodanig dat gedaagde had behoren te weten dat een aanvraag met terugwerkende kracht alleen kans van slagen zou maken als hij eerder en ook tijdig een aanvraag had gedaan. De Raad vermag ook niet in te zien dat gedaagde gehouden was nader informatie daaromtrent bij de Informatie Beheer Groep in te winnen. De aan hem ter beschikking staande van de Informatie Beheer Groep afkomstige informatie was volledig in overeenstemming met de van toepassing zijnde wetgeving en gedaagde had geen aanleiding voor de veronderstelling dat appellante het indienen van een pro forma aanvraag ter sauvering van de aanvraagtermijn zou verlangen. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking, met dien verstande dat appellante een nieuw besluit op het bezwaar van gedaagde moet nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Appellante zal opnieuw moeten bezien of er aanleiding is met toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van het bepaalde in artikel 17 WTS. De omstandigheid dat gedaagde niet voor het einde van het schooljaar 2000 / 2001 een (onvolledige) aanvraag heeft gedaan staat, naar uit het vorenoverwogene voortvloeit, daaraan niet in de weg. Daarbij is voorts nog van belang dat degenen die in overigens gelijke omstandigheden verkeren maar wel tijdig een een wegens het ontbreken van een verblijfsvergunning niet voor inwilliging in aanmerking komende aanvraag hebben ingediend, krachtens vorenomschreven gedragslijn kennelijk door gedaagde voor tegemoetkoming in de studiekosten met terugwerkende kracht in aanmerking worden gebracht, als overigens aan de van toepassing zijnde voorwaarden in die gevallen wordt voldaan. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat appellante een nieuw besluit op het bezwaar van gedaagde neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen; Bepaalt dat van appellante een recht van € 409,- wordt geheven. Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. N.E. Nijdam als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 december 2004. (get.) J. Janssen. (get.) N.E. Nijdam.